Klassieke methoden


De eerste breed gepubliceerde oplossingen voor de Rubik’s Cube verschenen in de vroege jaren tachtig, toen een behoorlijk aantal oplossingen werd gepubliceerd in boeken en artikelen. Zie bijvoorbeeld Philip Marshalls vergelijking van verschillende klassieke methoden. Hier noemen we twee oplossingen van rond 1981 door David Singmaster  en James Nourse.

Een van de belangrijkste observaties was dat de oplossing kan worden opgesplitst in verschillende stappen. De meeste van de “standaard” klassieke benaderingen lossen de kubus laag voor laag op. Los bijvoorbeeld 1. alle randen in de bovenste laag, 2. de hoeken in de bovenste laag, 3. de randen in de middelste of horizontale laag, 4. de randen in de onderste laag en 5. de hoeken in de bodem op laag, die de oplossing voltooit. Er is een aantal relevante variaties, zo kunnen bijvoorbeeld stap 2 en 3 worden gecombineerd (zie de Fridrich-methode hieronder), of wordt stap 5 vaak opgesplitst in eerst de stukken op de juiste plaats leggen en vervolgens hun oriëntatie fixeren. Het komt erop neer dat dergelijke stappen het oplossingsproces vereenvoudigen omdat er algoritmen (reeksen van gezichtsveranderingen) bestaan ​​die de afzonderlijke stappen efficiënt kunnen afhandelen. Oplossingsmethoden verschillen niet alleen in de stappen, maar ook in de set algoritmen die voor de afzonderlijke stappen worden voorgesteld.

Zoals Marshall bespreekt, hebben veel van de meer recente methoden hun oorsprong in deze vroege oplossingen. Dit komt ook tot uiting in een aantal van de onderstaande methoden, die echter een aantal verbeteringen bevatten. De oplossingsstappen zijn aangepast en de sets algoritmen zijn verbeterd en geoptimaliseerd voor verschillende oplossingsstappen. Bovendien werden sommige van de vroege methoden niet volledig uitgelegd (of vertoonden er hiaten) en werden er veel verbeteringen in de presentatie aangebracht.

Hieronder geven we commentaar op methoden voor beginners, waarbij het doel eenvoud is (meestal ten koste van efficiëntie), en op geavanceerde methoden, die snellere en / of kortere oplossingen opleveren (meestal ten koste van grotere complexiteit).

Beginnersmethoden
De term beginnersmethode wordt door verschillende auteurs op verschillende manieren gebruikt. Een beginnersmethode moet eenvoudig zijn, maar wat als eenvoudig wordt beschouwd, hangt af van de persoon en verandert snel naarmate ervaring wordt opgedaan. Zoals Marshall bespreekt, vereisten sommige van de vroege eenvoudige methoden 10 tot 20 algoritmen en 100 tot 150 zetten om de kubus op te lossen. Hij rapporteert bijvoorbeeld gemiddeld 110 zetten voor de methode van Nourse met 12 algoritmen, wat neerkomt op 100 zetten waarbij snelkoppelingen worden toegevoegd met in totaal 20 algoritmen.

Een moderne methode kan eenvoudig worden genoemd als er maar 5 algoritmen of minder voor nodig zijn. Als je gewend bent aan geavanceerde methoden met meer dan 50 algoritmen, dan is 10 of minder ook eenvoudig. Ook mogen de algoritmen zelf niet te lang en ingewikkeld zijn. Sommige van de recente beginnersmethoden met 5 of minder zetten zijn verrassend efficiënt en vereisen minder dan 100 en in sommige gevallen slechts ongeveer 70 zetten. Dit is best aardig in vergelijking met sommige geavanceerde speedcubing-methoden die gemiddeld 40 tot 60 bewegingen of zo vereisen, maar 50 plus algoritmen gebruiken.

 

rubiks kubus

 

https://breinbrekers.be